
Weblog Gregor Rensen

-
Petje af voor de burger!
19-03-2013
Donderdag en vrijdag woonde ik in Apeldoorn een deel van het jaarlijkse landelijke congres bij voor welzijnsambtenaren en gemeentebestuurders. De titel was: Petje af voor de Burger. De rode draad vormde de onmiskenbare systeemomslag die momenteel gaande is. De sociale verzorgingstaat wordt steeds meer een participatiestaat, waarin een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid voor zorg en welbevinden bij de burgers wordt gelegd. Niet meer alle zegen komt als vanzelfsprekend van de overheid. Nee, het wordt juist weer vanzelfsprekend dat burgers primair voor zich zelf en hun leefomgeving zorgen. Zelf de regie in handen nemen voor gemeenschappelijke taken en doelen. Voor professionals in de welzijnssector is dat wel even wennen. Maar het congres toonde aan dat het nieuwe denken ook ongelooflijk veel inspiratie en nieuwe vormen van betrokkenheid en ondersteunende dienstverlening kan genereren. En dat er in de toekomst nog heel veel werk is voor welzijnsprofessionals 3.0.
Een mooi voorbeeld gaf Jim Diers, een hoogleraar uit Seattle, Washington in de VS. Hij illustreerde met talloze voorbeelden hoe in deze stad aan de westkust van Amerika de inwoners via allerlei burgerinitiatieven en publieke acties hun stempel hebben gedrukt op de leefomgeving. Van het opknappen en herinrichten van speelterreintjes, het inrichten van parken op ongebruikte stukken grond tot het vormen van investeringsfondsen om leegstaande kantoren en scholen te transformeren tot allerlei nieuwe gemeenschapsvoorzieningen. ‘Neighbourhoodplanning’ noemt Diers het concept. Het bevordert niet alleen de kwaliteit van de openbare ruimte in de stad, maar zorgt ook voor nieuwe vormen van saamhorigheid en betrokkenheid bij de eigen omgeving bij inwoners.
Ook in Leidschendam-Voorburg zou ik deze vergaande vormen van burgerparticipatie graag willen ondersteunen. Feitelijk hebben wij recent al enkele mooie voorbeelden van geslaagde burgerinitiatieven gezien. De bewonersinitiatieven in de wijk Prinsenhof, de initiatiefnemers van de volkstuintjes in Bovenveen, de buurtpreventieteams, de voortzetting van kinderboerderij Rusthout, de mensen die zich sterk hebben gemaakt voor het behoud van theater Camuz etcetera. Natuurlijk vormden de dreigende bezuinigingen hierbij soms een negatieve aanleiding. Maar de positieve energie die erdoor is vrijgekomen, laat zien dat bewoners in de toekomst een veel grotere rol kunnen – en wat mij betreft ook mogen - spelen in het publieke domein. Waarom zou je van de overheid en zijn dienaren afhankelijk willen zijn, als je door de handen in elkaar te slaan zelf ook een hele hoop voor elkaar kunt krijgen in je eigen buurt? Voorwaarde is natuurlijk dat de overheid zich dan ook niet meer met alles wil bemoeien, maar bereid is letterlijk en figuurlijk ruimte te bieden aan zijn inwoners en buurten. Wet- en regelgeving is soms ook wel erg ver doorgeschoten, in de niet altijd juiste veronderstelling dat de werkelijkheid dan onder controle kan worden gehouden. Iets meer ruimte voor zelfregulering en sociale vormen van controle passen bij het nieuwe denken over regiegemeente en eigen verantwoordelijkheid van burgers vergroten.
De basisvoorwaarde voor dergelijke vormen van bewonersparticipatie is sociale betrokkenheid. Dat het daarmee wel goed zit in Nederland bewees de massale deelname aan NL Doet. Met het College van B&W knapten we vrijdagmiddag samen met de Rotary en Lions Club de tuin van verzorgingscentrum Prinsenhof op. Een aantal raadsleden hielp zaterdag bij de Weggeefdag van Woej in wijkcentrum De Groene Loper. Naast NL Doet was het zaterdag ook nog Dag van de Zorg. Ik heb een bezoek gebracht aan het Begeleid Wonen huis van Philadelphia aan de Duinmeierij in Leidschendam en bij de verzorgingscentra De Mantel en Het Anker in Voorburg. En weer heel veel informatie en inspiratie opgedaan. Heel veel vrijwilligers hebben meegeholpen van NL Doet een succes te maken. Petje af dus voor die vele betrokken burgers en vrijwilligers in onze gemeente!
-
Oerstom!
11-03-2013
In mijn jeugdjaren voetbalde ik bij de rooms katholieke sportvereniging S.O.S. in Hellendoorn. Sportief en qua omvang een kleine club in de onderafdeling van de KNVB, ook al was Abe Lenstra er korte tijd speler-trainer. S.O.S. stond voor Samenspel Ons Streven. Ik moest hieraan denken toen ik dit weekend NRC Handelsblad las.
Volgens een onderzoek van deze krant is driekwart van de burgemeesters tegen het kabinetsbeleid om tot gemeenten van minstens 100.000 inwoners te komen. Een willekeurige lezer zou kunnen denken: logisch, want het gaat immers om hun eigen banen en meer dan de helft van de gemeenten is nu kleiner dan 25.000 inwoners. En kleine gemeenten verzetten zich altijd tegen opschaling. Toch is een dergelijk cynisme hier niet op zijn plaats.
De burgemeesters die zich verzetten hebben namelijk het grootste gelijk van de wereld. Want het doel lijkt hier belangrijker te worden dan het middel. En proces en tijdpad om deze grootscheepse herindeling te bereiken deugen al net zo min. Erger nog: de brief van minister Plasterk van 21 februari, waarin hij zijn voornemens tot uiting brengt, dreigt averechtse effecten te hebben als gemeenten hier niet verstandig mee omgaan. En dan zijn we nog veel verder van huis. Ik zal dat uitleggen.
Voorop moet staan dat niemand – ook niet de door NRC geïnterviewde burgemeesters – betwist dat gemeenten kritisch naar hun bestuurskracht moeten kijken. Met name de kleinere gemeenten, maar zeker zij niet alleen. De komende jaren zal immers een groot deel van de uitvoering van het sociale domein – werk, jeugdzorg en langdurige zorg – overgeheveld worden van het Rijk en de Provincie naar gemeenten. In termen van geld gaat het om 16 miljard euro, bijna een verdubbeling van het Gemeentefonds, het fonds waaruit het Rijk de gemeenten het geld geeft om al hun basistaken uit te voeren.
Het gaat om nieuwe verantwoordelijkheden, voor burgers in een doorgaans kwetsbare situatie die al van een bepaald zorgarrangement afhankelijk waren en zullen blijven. Het is evident dat de invoering en organisatie van die nieuwe taken daarom zoveel mogelijk vlekkeloos moet verlopen. Zeker de meest zorgafhankelijke inwoners moeten daar zo weinig mogelijk van merken. Dat is een enorme opgave, te meer omdat de decentralisatie van taken gepaard gaat met forse bezuinigingen. Gemeenten moeten dus meer gaan doen met minder geld, oftewel de efficiency fors verhogen. Ook zullen nieuwe inkooprelaties en samenwerkingsafspraken moeten worden gemaakt met allerlei regionale zorgaanbieders en zorgverzekeraars.
Gemeenten kunnen de kwaliteit van deze nieuwe zorgtaken alleen garanderen als ze financieel, bestuurlijk en organisatorisch voldoende zijn toegerust. Niet alleen over voldoende bestuurlijke visie en kennis beschikken, maar dat ook weten te vertalen in bestuurlijke en organisatorische slagkracht. Gemeenten beseffen daarom hartstikke goed dat samenwerking met andere gemeenten geboden is. De noodzaak om samen op te trekken bij deze ingrijpende systeemverandering wordt algemeen gedeeld. Daar heeft de omvang van gemeenten niets mee te maken. In heel Nederland zijn gemeenten dan ook al bezig vorm te geven aan deze samenwerking of zich met buurgemeenten hierop te oriënteren.
De intenties van minister Plasterk om de gemeenten tot robuuste samenwerking te brengen zijn dan ook niet verkeerd. Die worden nagenoeg door iedereen gedeeld. Waar het echter mis gaat is de wens om niet alleen samenwerking te stimuleren, maar ook al een einddoel eenduidig en van bovenaf te bepalen, namelijk fusie van gemeenten tot gemeenten van minimaal 100.000 inwoners. Ook het al inboeken van een forse bezuiniging op het Gemeentefonds vanwege het verminderen van het aantal gemeenten, is het verkeerde signaal. Het leidt haast onherroepelijk tot het verleggen van de discussie van samenwerken om inhoudelijke en functionele redenen, tot het wel/of niet voorsorteren op onomkeerbare fusieprocessen met buurgemeenten. Die benadering breekt ook met het de laatste jaren min of meer bewezen succes van vrijwillig tot stand komende herindelingen van gemeenten, met draagvlak van onderop! Voordat we het weten zitten gemeentebestuurders met hun burgers over al dan niet wenselijke gemeentelijke herindelingen te discussiëren in plaats van over hoe die nieuwe taken zo goed mogelijk kunnen worden georganiseerd. Het kind dreigt daarmee met het badwater weggegooid te worden!
Mijn advies aan gemeentebesturen zou daarom zijn: laat je niet gek maken! Blijf je vooral richten op het goed vormgeven en voorbereiden van de noodzakelijke samenwerking. Omwille van die kwetsbare inwoners die van die systeemverandering straks niet de dupe mogen worden. Mijn advies aan het Kabinet zou zijn: maak je onsterfelijk door gemeenten in dat proces van samenwerking optimaal te faciliteren, maar dwing het niet af door willekeurige en onbewezen inwonersgetallen voor gemeenten als norm te introduceren of door financiële dreigementen.
De voetbalvereniging S.O.S. bestaat overigens niet meer. Zij is een jaar of wat geleden vrijwillig gefuseerd met de protestants christelijke zaterdagvoetbalvereniging VESOS, nadat eerst de jeugdafdelingen al een aantal jaren waren geïntegreerd. Samen vormen ze nu de Sportvereniging Hellendoorn. Sinds de fusie is de vereniging gegroeid, het vrijwilligerskader versterkt, de sportieve prestaties verbeterd, de accommodatie verfraaid en het aantal takken van sport en bewegen verveelvoudigd. Een proces dat van onderaf vorm heeft gekregen en op een groot draagvlak onder de beider leden kon rekenen. Iedereen is verguld met wat er is bereikt. Van dit soort processen zijn er talloze voorbeelden in het land te vinden. Laten kabinet en gemeenten zich hieraan spiegelen, als ze de bestuurskracht van gemeenten willen versterken.
-
Beleidsvrijheid
08-03-2013
Dinsdagavond op het ministerie met een groepje collega-wethouders een “benen-op-tafel” overleg gehad met staatssecretaris Jetta Klijnsma (SZW) en haar ambtenaren. Onderwerp was de aanstaande Participatiewet, waarvoor het ontwerp voor het einde van deze maand naar de Raad van State gaat. Staatssecretaris Klijnsma staat altijd – ook dit keer - borg voor een plezierig en open overleg, ook al bestaan er veel zorgen bij de wethouders voor Werk en Inkomen. Het is immers maar zeer de vraag of de ambities van de nieuwe Participatiewet door de gemeenten kunnen worden uitgevoerd met de beperkte middelen die het Rijk daarvoor nog beschikbaar stelt.
De hartekreet van de wethouders was dan ook duidelijk: geef ons maximale beleidsvrijheid om de gedeelde doelen te bereiken. Geef gemeenten een zo ruim mogelijk instrumentarium om te bewerkstelligen dat mensen niet in een uitkering blijven hangen, maar aan werk kunnen worden geholpen. Naast loondispensatie, moet het ook mogelijk blijven om andere instrumenten in te zetten, zoals detacheringen, (tijdelijke) loonkostensubsidies, leerervaringsplekken, proefplaatsingen en dergelijke. Het moet mogelijk zijn om maatwerk te leveren, en daarover met lokale en regionale werkgevers afspraken over te maken, zonder beperkende uitvoeringsvoorschriften.
Het quotum dat aan werkgevers wordt opgelegd, moet ook realiseerbaar zijn door tijdelijke werkervaringsplekken, beroepsbegeleidende leerwerktrajecten, dagbestedingsplekken en stages. Maak van de beoogde quotum regeling voor werkgevers geen concurrent van de succesvolle SROI (Social Return on Investment) afspraken die door gemeenten bij aanbestedingen worden gemaakt. Laat de beoordeling van het arbeidsvermogen en loonwaarde over aan gemeenten en werkgevers samen, in plaats van daarvoor een eenduidig centraal beoordelings- en indicatie instituut voor te schrijven. Zorg dat de (aangepaste) wet Werk en Bijstand zich niet alleen richt op duurzame uitstroom en volledige werkweken, maar ook op wisselende, tijdelijke dienstverbanden voor een deel van de werkweek. En als een arbeidsplek onverhoopt niet tot de gewenste resultaten leidt, zorg dan voor een zachte landing terug in de uitkering, in plaats van daarvoor eerst weer een volledig nieuwe aanvraag voor bijstand te moeten doen.
Kortom, het meest voorkomende toverwoord tijdens het overleg was ruimte voor diversiteit in de beleidsinvulling en ruimte voor verschillen in de beleidsuitvoering. Uiteindelijk is het doel om meer mensen die nu nog in de arbeidsreserve zitten en afhankelijk zijn van een uitkering, in de toekomst aan zinvol, liefst loonvormend werk te helpen. Het doel moet zijn mensen weer perspectief en eigenwaarde te bieden. In die zin pleit ik slechts voor één landelijke, helder geregelde beleidsmaatregel. Namelijk dat de rechtspositie en rechtszekerheid van mensen die met een ondersteunende uitkering of aanvullende loonvoorziening aan het werk worden geholpen, goed geregeld wordt. Nieuwe stigma’s moeten worden voorkomen. Zonder meteen weer aan nieuwe CAO’s of iets dergelijks te willen denken, het moet voor het zelfrespect en maatschappelijke positie van de mensen om wie het gaat helder zijn dat ze een status van werknemer krijgen en niet van mensen die afhankelijk zijn van een uitkering of voorziening. Mensen moeten worden gewaardeerd om wat ze naar vermogen bijdragen! Volgens mij is dat het doel waarom het allemaal begonnen is!

