
Historische verhalen
-
Kanttekeningen bij een eeuwenoud archief (pdf-bestand, downloaden via Acrobat Reader)
-
Baron van Geltingen (pdf-bestand, downloaden via Acrobat Reader)
Gheerthuyt van Oesten
OVER ENE MAGET REINE, GHEBOREN VAN VOERBURCH,
DIE OM DE LIEFDE GOODS
ALLE TIJTLIKE DINGEN ENDE ALLE CYERHEYDTS DES WERELDTS HEEFT VERSMAET.
Geen mens zal het nog kunnen natrekken, want na de Reformatie zijn veel van deze wonderlijke en vrome vertellingen immers ofwel vergeten ofwel geheel in de doofpot gestopt, maar daarom hoeft het nog niet minder waar te zijn: ook Voorburg kent, of laat ik stellen, kende, een echte Heilige, eentje met een grote 'H'! De schaarse bronnen hebben het over het jaar 'omstreeks 1330' dat er ene Gheertruyt bij haar ouders, eenvoudige boerenmensen, woonde en wel in de 'Oostbuurt van Voorburg'. Dat moet dus in de omgeving zijn geweest waar nu de neo-gotische parochiekerk, gewijd aan de Heilige Martinus van Tours deze befaamde Voorburgse lommerrijke laan domineert. De annalen van Delft weten te vermelden dat ze een aantal jaren in betrekking is geweest in Delft, zich daar verloofde met een jonge man, die haar echter in de steek liet. Op zich een bijna klassiek verhaal. Als de vonk tussen een jongen en een meisje niet echt oversprong, dan zocht het meisje vaak de liefde van de Hemelse Bruidegom in een klooster of -zoals in dit verhaal- in de beslotenheid van een begijnhof.
In sommige oude steden kun je die oases van rust nog steeds tegenkomen. In Brugge, op het Groot Begijnhof, kom je ze zelfs nog in levende lijve tegen. Al zijn het daar de Zusters Benedictinessen, die hun Benedictijnse kloosterhabijt verwisselden voor die van de voormalige Begijntjes. Ook onze Voorburgse Gheertruyt zou zich, na haar mislukte relatie met een jongeman, hebben teruggetrokken in een begijnhof en wel in die van het naburige Delft. Het in het verhaal vermelde jaartal 1340 (miij C xL), waarin Gheertruyt -ze was toen immers ternauwernood tien hele jaren oud - haar heilig leven begon (of was het: voortzette?) lijkt op z'n minst onwaarschijnlijk jong. Maar in het kader van de toen geldende kloostergebruiken is het niet onmogelijk, omdat er soms al kinderen binnen de gemeenschap werden geplaatst die -als oblaat- een gerichte opvoeding in het kloosterleven kregen.
Als sterfdatum wordt vermeld: Driekoningen van het jaar miij C Lviij oftewel 1358. De vrome Voorburgse maagd zou dus 28 hele jaren geworden zijn.
Haar achternaam 'Van Oesten' of zoals we tegenwoordig schrijven 'Van Oosten' blijkt ook geen achternaam, maar een bijnaam. Ze kwam uit het oosten van het dorp Voirburch, waar inderdaad in die eeuw kleine buurtschapjes zijn geweest. Maar ook daarover zijn de bronnen niet eensluidend. In het verhaal zong ze graag een ongetwijfeld vroom liedje, waar 'het oosten' een dominante rol in speelde. Nu is 'het oosten' in de middeleeuwen een bijzondere windstreek. Kwamen niet de Wijzen ook uit het Oosten? En waren de oude stads en dorpskerken niet allemaal naar het oosten gericht oftwel georiënteerd? Een van de titels die men graag aan Christus gaf was immers dat Hij de Oriens was, de Opgaande Zon, die altijd in het Oosten opkwam. Elke priester vierde met zijn rug naar de gelovigen gekeerd, maar met het gezicht naar het Oosten gericht, de Eucharistie.
Ten overvloede sterft de vrome maagd Gheertruyt dan ook nog eens uitgerekend op Driekoningen, vanouds een van de hoogste kerkelijke feestdagen, op 6 januari. En zoals gesteld, die Koningen of Magiërs kwamen, naar de traditie wil, nergens anders vandaan dan uit het Oosten!
Het is beslist leuk om eens in het aloude Delft te gaan kijken. Daar bij de Oude of St. Hypolituskerk op de Oude Delft, -die met de scheefgezakte toren -, op de Heilige Geestbrug, staat zij nu weer, exact 600 jaar na haar dood, exact 600 jaar nadat zij het Viaticum ontving en naar haar Bruidegom ging. Op de plek waar de armen van de St.Hypolitusparochie rond de kerk werden begraven. Uitkijkend over het zo historische oude Delft heeft de kunstenaar Teeuwisse haar weer uitgebeeld, uitkijkend over het zo historische stadje Delft, gehuld als zij was in haar zware zwarte begijnenmantel, compleet met kap en sluier. De 'eer der altaren' heeft zij kennelijk niet meer, maar gelukkig is zij nu weer aan de vergetelheid ontrukt. Zij was met hart en ziel haar Heer, haar 'Bruydegom' toegedaan en werd door haar Schepper met bijzondere tekenen vereerd. Het komt ons, 21ste eeuwers allemaal wonderlijk over en dat is het enige wat je er nu van kan zeggen.
Maar met dat al was zij wel een Voorburgse. Iemand uit het dorp dat eeuwenlang een Heerlijkheid was en pas vele eeuwen later een Heerlijkheid van de Stad Delft en pas in de negentiende eeuw zelfstandig werd.
De bronnen?
In de oorlogstijd gaf de toenmalige gemeentesecretaris, Dirk van der Meide, aan een zekere heer P.C. Zonneveld opdrachten om allerhande Voorburgse historische wetenswaardigheden uit diverse archieven te zoeken. Deze historische gegevens dienden als basis voor wat later 'Dorp aan de Vliet' ging heten, hèt naslagwerk over de historie van Voorburg. Het manuscript over Gheertruyt van Oesten was daar een onderdeel van.
Voorts trof ik in de 'Genealogische en historische encyclopedie van Delft' nog een korte levensbeschrijving van de genoemde Gheertruyt.
GHEERTRUYT VAN OESTEN
gheboren van Voirburch
Het is geweest int jaer ons Heren miij c xL; een jonghe maecht gheheten Gheertruyt van Oesten, gheboren van Voerburch, ende woende toe Delff, op dat oude Bagijnhof. (Bagijnen of begijnen zijn vrome vrouwen die doorgaans door persoonlijke geloften een vroom leven wensten te leiden, daartoe in een begijnhof leefden en in hun eigen levensonderhoud voorzagen maar te allen tijde uit konden treden).
Dese maecht heeft haer also vuerichlic gheoeffent in die Passie ende liden ons Heren, dat dye littekenen der vijf Wonden sienliken sijn geopenbaert in haer handen ende voeten ende in haer side, van den welcke veele Kersten menschen hen verwonderden ende God van Hemelrijck daer in glorificeerde, loefden ende danckten.
Als dese Maecht gecomen was tot haer jaeren, heeft si om die liefde Goods dese tijtlike dingen ende alle cyerheydt des Werelts versmaet, ende heeft haer begeven op dat Begijnhof om Godt daer stadeliken ende trouwelic te dienen.
Si was seer oetmoedich in woorden, in werken ende in habiten, lijdsamich ende verduldich in allen tegenspoeden. Ende int beginsel haere bekeringe so en hilt sie niet op xiiij dagen ende nachten lang van screyen ende suchten, binnen dye welcken tijt si quytsceldinge vercreech van alle haer sonden, als haer God namaels openbaerde ende te kennen ghaf.
Ende in dese tijt so waren haer tranen haer Broot nacht ende dach, ende als si enige lichamelike spijse at dwelc seer luttel ende weinich was, di at sie met grote suchten ende wenen. Seven jaer lanc was si in grote penitenciën ende strengicheyt van leven, dat si niet of weinich sliep, in welcken tijt si vele temptaciën ende becoringen van den Duvel leet, haer treckende ende scuddende biden armen; of hi haer roc ende pels van den live getogen souden hebben.
Ende als si aldus van den Duvel worde gequelt so noemde si hem dicwils hem verwitenden sinen val ende nederlage, seggende, gaet wech ghi bose Duvel. Ende als die Duvel dyt hoerde so voerde hi haer dicwils van deen plaetse up dander ende biwilen in die luchte, mer hi en mocht haer niet misdoen, want God de Here di en wouts niet verhenghen ende bescermde se.
Sij oeffende haer dagelix in dat leven ende liden ons Heren, ende nae den loep des tijts van haere oeffeninge, so machte si haer gebeden ende oeffeninge gelic den diensten der Heylicher Kerkcken, want in den advent so overdocht si dye grote verlangen ende begeerten der ouder Vaderen, daernae in die hoechtijt der geboerten ons Heren Jesu Christi, overdocht si in groter soeticheyt haers herten hoe soelicken de reine onbesmette Moeder ende Maecht Maria voert gebrocht heeft haeren alrenliefsten eenigen Soene, ende hoe naerstich si was hem te voeden mitten alre soetsten Melc haere Maechdelicker Borsten.
Ende als si mit groter dancberheyt aldus overdochte ende becommert was, so heeft God een groot teiken van haere dincbaerheyt willen bewisen, behalven di graciën di si van binnen hadde verborgen.
Want het is gheboert op een tijt, als si haer oeffende in de gheboerte ons Heren mit groter soeticheyt haers herten, dat haer Maechdelike Borsten worden swellende ende groot, ende gaven scone witte Melc uyt, ende dit wonderlicke teiken duerde van den Heyligen Kersdagen af tot onser Vrouwen Lichtmisse toe, ende binnen alle dese dagen soe mocht si nyet versaet worden van die uytnemende soeticheyt overdenkende die hoecheyt des Godlicken wijsheyt, omdat menscelike geslachte te verlossen, veel wonderlike dingen geschieden noch hyer nae.
In dese voerseyde tijt als si haer dus was oeffenende de gerechticheden Goods, quam tot haer eene devote Maecht geheeten Lielt, ende woende updat selve Begijnhof, dese vervult wesende mitten Heylichen Geest, seyde dat dese suster Gheertruyt noch wonderlicke graciën toe comen souden, want si overseide een heel jaer te voeren eer dattet gescide, dat si noch binnen een jaer, ontfangen soude dye littekenen van de vijv Wonden ons Heren Jesu Christi in haer handen, voeten ende in haer side, ende als die oetmoedige diens Maecht ons Heren suster Gheertruyt hadde gehoert, haer onwaerdich keurende van alsulcke graciën, seyde si mit groter oetmoedicheyt, van waer soude mi dat comen, dat in mi soude gescien ende comen sulcke graciën, ic bekenne mi selven te wesen een arm sondich mensche, ende ic en hebbe in mi geen doechten dan mi van die overvloedicheyt des Godlichen bermherticheijts gegeven worden.
Een jaer daer nae als di Heylige goede Vrijdach anstaende was, heeft haer dese suster Gheertruyt neder gestelt knielende mit groter devociën ende innicheyt voer dat Beelde des Heyligen Cruys, biddende langen tijt, ende in haere herten overdenkende die grote swaere bittere Passie ende liden ons Heren Jesu Christi. Ende als si aldus opgetogen was mit wonderlycken grote devociën ende ontsteken in die liefde haers Brudegoms ons Heren Jesu Christi, God die daer wonderlic is in sinen Heyligen, heeft die wonderlicke graciën gedaen ende gegeven, dese Maecht als dat sie ontfangen heeft in haer lichaem, die litteikenen der Heylicher vijv Wonden ons Heren.
Als si dese litteikenen ontfangen hadde, ende si weder tot haer selven ghecomen was, uyter contemplaciën daerinne si geweest was, riep si mit luder stemme dat Begijnken, dat mit haer inwoende, Diewer Suster coemt geringe, ende siet wat groter graciën God di Here, mi sijn arme diens Maecht, nyet uyt mine verdyensten, mer uyt sine overvloedighe goetheyt heeft verleent.
Ende als si quam ende sach dat wonderlicke teiken, dat God deser Maget hadde verleent, verwonderde sie haer seer, ende dancte ende loefde God van sine wonderlicke milde gaven ende teikenen, ende niet alleen die Heyligen goeden Vrijdach tsnachts, met des hoger claren dachs ende menige dagen daer nae so vloyde uyt die Heylighe Wonden suverlic root claer Bloet, ende dit seven mael daechs tot elcken getide (= de Metten, Lauden, Primen, Sexten, Nonen, Vespers en Completen: het kerkelijk koorgebed) eens dat welke men ontfing in een scoenen witten doec.
Dese nyevicheyt was haest openbaer ende en mocht niet verholen bliven, dat niet alleen van binnen der Stede van Delff, met van allen Steden ende Dorpen daer omtrent quam dat Volc ende begeerden te sien die grote wonderlice teykenen ende Miraculen, die God an desen Maget hadde vertoont, met dit gheloep ende moeyenisse en behaachde dese Maecht nyet, want overmits stadeliken toecoemst des Volcs, so voelde si verstoynge haers herten, ende dat si belet worde van der Godeliker contemplatie ende Geestelike oeffeningen, ende, want sie mercte ende overdochte dat dye vrese allen menscen van node is, so bat si God den Here oetmoetdelicken: "O myn alreliefste minlike Here Jesu Christi, ist uwen Goddeliken wille soe begeer ick dat ghi dese Vijv Wonden die ghi mi goedertierlic hebte verleent, weder van mi nemen wilt, opdat ic overmits mijn selfsbehaegen, nyet van U verscheyden en moet worde.
Die Here verhoerde haer gebet ende nam van haer die Vijv Wonden alsoe datter gheen Bloet meer uyt en vloeyde, mer si behilt alleen dye litteikenen der Wonden tot in haer Doot.
Dese devote Maget hadde oec een gracie van God te voersien toecomende dinghen.
Op een tijt quam tot haer een Werltlic Vrou persoen, gheheten Lijsbet, seer cyerlic ende pomposelic ghaende nae der Werlt loep, onder ander woerden, vraechde dese Vrouwe, hoe si best totten Ewighen leven comen mochte, doe seyde dye Maecht, Syet die tijt sal comen, dat dye Werlt u een cruys wesen sal, ende ghi die Werlt, dwelck also gesciede, want si alsoe seer van die Gycht (= jicht) worde ghequelt, dat si noch crupende met crucken moeste gaen, sij hadde enen Biechtvader gheheten Heer Claes van Hodenpijl, Cappelaen van die Oude Kercke, een waerlic Priester van wonderliker groter devociën, dye welce haer raet ende Leytsman was, ende als dese Here Claes op een tijt mit haer sprak van een ander waerlic Priester gheheten Meester Dirck van Renen, hoe hi mit sijne Vijanden was versoent, int eynde seyde dese Maget Gheertruyt siet, ghi sult sien dat dese meester Dirck van sijne vyanden verslagen sal worden.
Doe seyde Here Claes, hoe soude dat ghescieden, want hij doch mit sijne vianden versoent en is?
Ick segge u, voerwaer, sprack zij, het sal haert, alsoe ick u voerseyt hebbe gescien.
Het is weynich tijts daer nae gevallen, dat die voerseyde Meester Dirck gaende uytter poorte van Delff gecomen is onder sine Vianden, die hem alsoe wreedelick ende ongenadigh dootsloegen, dat men de stucken sijns lichaems opnam ende vergaderde si in eene mande, ende brochtse tot sijnen huyse, ende veel meer andere wonderlicke saeken ende dinghen die dese Maget voerseyde ende alsoe gesciede, die te lang waren te scrijven, als haer leven ende legende dat breder uytwijst.
Als nu deser Maget, Suster Gheertruyt lange tijt van jaeren op dat Begijnhof in groter en strenger penitenciën ende soeticheyt des scouwende levens hadde gheleeft, is die tijt gecomen, dat si van dese Werelt soude sceyden, ende mit haeren Bruydegom ewelick vereenicht soude worden, daersi dicwils soetelic of plach te sprecken ende te dencken, soe heeft si haer daer toegescickt mit groter inwendiger devociën om te ontfangen de Heylige Sacramenten der Kercken, ende berecht wesende sprack si tot haer mede susteren, "mijn lieve kinderen ende susteren, ick wil thuys, daer di opseyde, meynende, dat si uyt kranckheyt van hoefde sprac; lieve suster ghi en sijt thuys, - neen sprack si -, ic en ben nyet thuys, maer daer wil ick wesen, daer di straeten ende poerten blinckende sijn als suyverclaer gout."
Daernae heeft sij haeren geest in die handen Gods bevolen ende rustede soetelick in vreeden. Ende die vingeren haerer handen scenen te wesen wit als claer elpenbeenen (= ivoor), ende haer aenscijn scoen blinckende als Cristal, ende sij stierf in tjaer ons Heren Miij c Lviij opten hylichen drye coninghen dach, ende sij worde oetmoedelicken begraeven buten die doere van den kercketoerne vander ouder kercken aen die suyt-side, want die Bagijnen doe noch geen kerck noch kerckhoff en hadden.
Alsoe ist leven gheweest ende sterven van Gheertruyt van Oesten ende heeft die oude Historiscrijver van Hollandt Johannes a Leydis in 't Latijn ende sijn navolgher de Autheur van die grote oude Cronijck van Hollandt, Seelandt ende Vrieslandt etc. gedruckt int jaer 1517, in 't Nederduytsch nae-ghelaten heeft, doch in de Pauselijcke Legende van de Heyligen voer alle de daghen van tjaer, bijeenvergadert doer H. Rofweydus Pater Jesuït wert het leven van dese H. Maget noch ampelder gededuceert, ende aldaer onder de schare der Heylighen met de naem van Heylige Gheertruyt van Oesten gequalificeert staende, werdt te kennen gegeven haer bijnaem van Oesten becomen te hebben door een Geestelijck Liedecken, twelck sij daegelijc plach te singen, waerinne het Woordeken Oesten dickwils te pas quam.
Noch verscheijde notabile voerseggingen van die St.Gheertruyt, die in de Chronijck nyet en werden vermeldt, hebbe ick in de voerscr. Legende naegesien, welckers eenighe ten deele die stadt Delff bysonderlick raeckende.
Bernard Dijkman,
medewerker oud-archief van Voorburg
Hendrik van Deventer
Van goudsmidsleerling tot gynaecoloog
Elk jaar laat de gemeente Voorburg een lange lijst van indrukwekkende en minder indrukwekkende herdenkingen verschijnen. Zaken die in het betreffende jaar 10, 25, 50, 100, 200, 300 jaar of nog langer geleden zijn gebeurd. Soms zijn daar heel prominente figuren bij. Figuren, die binnen de Heerlijkheid Voorburg een rol van betekenis hebben gespeeld. Boven aan de 'lijst van gebeurtenissen' voor het jaar 2001 staat kort en zakelijk vermeld: "16 maart 1651, Hendrik van Deventer geboren". Reden om deze 'Rembrandt onder de geneesheren' even onder het stof van 350 jaren te halen. Uiteraard mag dat dan minder kort en minder zakelijk dan deze kale vermelding.
Hendrik van Deventer en de volgelingen van Jean de Labadie
Van de jeugdtijd van Hendrik van Deventer weten we nauwelijks iets. Ja, dat hij op 16 maart -nu 350 jaar geleden- te Leiden werd geboren. En dat hij ooit goudsmidleerling werd. En dat hij de zoon was van een leerhandelaar, die in 1653 van Leiden naar Den Haag verhuisde. Verder is bekend dat Hendrik op de leeftijd van 17 jaar zijn ouders verlaat om zich aan te sluiten bij de volgelingen van ene Jean de Labadie oftewel de Labadisten. Om iets meer te begrijpen van het verdere verloop van zijn leven, volgt hier in het kort iets over deze Jean de Labadie en de door hem gestichte kerkelijke sekte.
Jean de Labadie, geboren op 13 februari 1610 te Bourg (bij Bordeaux), kreeg een opvoeding bij de jezuïeten, werd op 40-jarige leeftijd gereformeerd en kwam via een predikantenplaats in Montauban, Orange en Genève uiteindelijk in 1666 in Middelburg terecht. Omdat hij buitenkerkelijke godsdienstige bijeenkomsten hield en omdat hij weigerde aan iedereen het avondmaal te bedienen kwam hij met het kerkelijk leergezag in botsing. Drie jaar na zijn beroeping in Middelburg wordt hij afgezet. Jean de Labadie trekt met een aantal volgelingen naar het Zeeuwse Veere en als hij het ook daar niet uithoudt, naar Amsterdam. Ook in het toch als tolerant bekend staande Amsterdam moet hij de wijk nemen, omdat zijn bijeenkomsten volksoplopen tot gevolg hebben. De sekte trekt via Herford bij Brandenburg naar een voorstadje van Hamburg, Altona. Hier overlijdt op zijn 64ste verjaardag in 1674 Jean de Labadie. Zijn volgelingen, de Labadisten, worden niet echt met rust gelaten en moeten -door oorlogshandelingen gedwongen- alweer gaan verkassen. In 1675 vertrekken ze en vestigen zich het heel wat rustiger friese Wieuwerd op de Thetinga- of Waltastate. In Wieuwerd groeit de groep -we zouden nu zeggen: de commune- aan tot niet minder dan 500 personen. Mensen met een flinke portie idealisme. Zij hebben alles -letterlijk- gemeenschappelijk. Alle inkomsten gaan in een grote pot. Goud en sieraden zijn taboe. Intussen houden zij 'waardige' vieringen van het avondmaal, terwijl alleen de wedergeborenen gedoopt mogen worden. In die tijd van een betrekkelijke welstand komt ook 'onze' Hendrik van Deventer (in 1678) de groep versterken. Hoogstwaarschijnlijk aangespoord door de 'huisarts' van de sekte, de geneesheer Walter, komt ook de voormalige goudsmidleerling Hendrik bij de sekteleden terecht. De van de gemeenschap afgesloten levende sekte der Labadisten zijn immers -zoveel als mogelijk- selfsupporting.
Hendrik van Deventer, Labadist en chirurgijn
Het vak van 'chirurgijn', zoals een geneesheer toen meestal werd genoemd, leert Hendrik voor het grootste deel in de praktijk en door zelfstudie. Nauwelijks in Wieuwerd gearriveerd begint hij al in 1679 met zijn praktijk onder de Labadisten. De 'chirurgijnse ster' van Hendrik gaat zienderogen rijzen. Vooral als orthopedist krijgt hij naam.
Hij is een expert op het gebied van de zogeheten Engelse ziekte oftewel rachitis, een ziekte waarbij te weinig kalkzouten in de beenderen worden omgezet, dat weer vaak vergroeiingen van de beenderen tot gevolg kunnen hebben. Zelfs de Deens/Noorse koning Christian V (1670-1699) wil deze specialist graag om zich heen ter behandeling van hemzelf en zijn kinderen en dat niet zonder succes. Intussen zit Hendrik van Deventer niet stil. De selfmade geneesheer groeit tot ongekende hoogte en slaagt erin als autodidact de doctorstitel te behalen in Groningen. Met die titel voor zijn naam kan hij zich overal in Nederland vestigen. Langer in Wieuwerd blijven ziet hij trouwens niet meer zozeer zitten. Zijn honorarium als medisch specialist is bepaald niet onaanzienlijk en ook zijn kinderen bedenken dat nu alles in de 'pot' van de Labadisten verdwijnt en wat valt er zodoende later voor hen nog te erven?
Hendrik, de autodidactische specialist die geen Latijn kent.
Inmiddels is Hendrik zich ook gaan specialiseren in de verloskunde. Hij wil zich gaan vestigen in Den Haag. Waarom Den Haag? Omdat vader Van Deventer daar zijn leerhandel heeft? Of omdat hij al in gedachten heeft dat hij dat leer kan gaan gebruiken voor de vervaardiging van orthopedische hulpmiddelen? Het deftige Haagse Collegium Medicum ziet het echter niet zo zitten dat een zo bekend geneesheer als concurrent zich in hun regio wil gaan vestigen. Zij bedenken een prachtige smoes om het de man in ieder geval moeilijk te maken. Hendrik van Deventer is in onvoldoende mate het Latijn machtig..en kan daarom niet een praktijk in Den Haag openen. Hendrik laat zich door deze 'wijze' chirurchijnen niet van zijn stuk brengen en vestigt zich vlakbij Den Haag, in Voorburg. Het Collegium ziet een paar jaar later toch wel in dat zij niet zomaar om de befaamde en gemoedelijke doctor Hendrik van Deventer heen kunnen. In 1695 erkent de magistraat van 's-Gravenhage in arren moede de befaamde geneesheer. Hij opent in 1702 te Voorburg in de Herenstraat, in een niet onaanzienlijk pand, 'De Poort' geheten, vlak tegenover de Oude Kerk, zijn praktijk.
Hendrik van Deventer op 'Sionslust'
Drie jaar later koopt hij een nog rianter pand, het nog steeds bestaande buiten 'Sionslust', nu gelegen op de hoek van de Sionsstraat en de Raadhuisstraat. Het is zeer de vraag of het pand in Van Deventer's tijd al 'Sionslust' werd genoemd. Immers die naam herinnert in alles naar de verwachting van de Labadisten: de komst van Gods Koninkrijk in Sion. 'Sionslust' wordt dan omschreven als bestaande uit een herenhuis, met tuinmanshuis en stallen en een speel- of zomerhuis aan de Vliet. In de 20e eeuw zal de laatste particuliere bewoner de Zuid-Afrikaanse gezant zijn, Dr. H.D. van Broekhuizen. Het pand heeft bovendien een gigantisch grote tuin dat tot aan de Vliet loopt. In 1711 koopt hij er nog een aangrenzend buitenverblijf bij met dito speelhuis aan de Vliet. De dokterspraktijk loopt als een trein. Hendrik koopt nog een aantal aangrenzende huizen en stallen. In een van die stallen zou hij de kuiperij onderbrengen. Daar wordt het leer geprepareerd voor zijn orthopedische hulpmiddelen. Hendrik is inmiddels vader van niet minder dan tien kinderen. Erfopvolging in mannelijke lijn zal niet gebeuren. Slechts één dochter, Anna, trouwt ook met een arts, Hendrik Berlinkhoff, en zorgt voor voortplanting in de vrouwelijke lijn. Als Hendrik van Deventer op 12 december 1724 sterft is er nog slechts één van zijn kinderen in leven: Maria Elisabeth, die in 1715 in het huwelijk treedt met de latere Voorburgse schepen Jacob Vermaat. Na het jaar 1719, als zijn vrouw en zijn kinderen hem een voor een ontvallen, is Hendrik over het hoogtepunt van zijn faam heen en vallen er niet veel wapenfeiten meer te melden.
Manet post funera verum
"Ik verga, maar de waarheid blijft" dat was zijn lijfspeuk en dat was voorwaar geen holle frase. Bij het overlijden van Hendrik van Deventer, drieenzeventig jaar oud, gaat een van de grootste geneesheren van die onstuimige tijd heen.
Hij was niet alleen de bestrijder van de Engelse ziekte, maar was vooral een pionier op het terrein van de verloskunde. Zijn geschrift "Manuale Operatiën, zijnde een nieuw Ligt voor Vroedmeesters en Vroedvrouwen" doet veel stof opwaaien. Hij legt er de nadruk op dat hygiëne tijdens bevallingen bepaald geen overbodige luxe is. Deskundigen beweren dat hij dit geschrift en nog veel meer ook op eigen persen liet drukken in een van de bijgebouwen van het grote buiten 'Sionslust'. Naast medicus blijft Van Deventer tot zijn dood toe een vroom en gelovig christen. Uit vooral zijn godsdienstige geschriften blijkt wat voor een man Hendrik van Deventer geweest moet zijn: een gemoedelijk man, zonder rancune tegen mensen van wie hij ooit smaad en tegenstand heeft ontvangen en iemand die altijd bereid was te helpen. Of het nu de koning van Denemarken betrof of de dorpeling uit de Heerlijkheid Voorburg.
Erkenning
Zoals vaak bij beroemde personen: de erkenning komt pas veel later, soms wel eeuwen later. In 1912 is er in de Oude Kerk aan de Herenstraat een notabel gezelschap aanwezig, waarvan wellicht de bekendste Dr.Blooker is. Hij is voorzitter van de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst. De 'Maatschappij' heeft de blauwe grafzerk van de 18e eeuwse "Rembrandt" onder de geneesheren, doctor Hendrik van Deventer, gerestaureerd en een plek toebedeeld in het koor van de Oude Kerk.
Op de harde blauwe steen begint de ingebeitelde tekst met de woorden: "PIÆ MEMORIÆ": vrij vertaald: "in vrome, dankbare nagedachtenis."
Bernard Dijkman,
medewerker oud-archief gemeente Voorburg
Koning Ezelsoor
Over koning Ezelsoor, het niet meer door annexatie bedreigde Park Arentsburgh met zijn Romeinse resten en de Elsberg in Voorburg.
Ver voordat uit Albion, waartegen wij tegenwoordig Engeland zeggen, een zeer heilige monnik de Noordzee overstak om het volk van de Friezen te bekeren heerste er in het West-Friese land een zekere koning Richard Arundel. Ook wordt de goede man wel Etselinus genoemd.
Volgens de mensenlevens lang overgeleverde verhalen was deze koning niet alleen reusachtig van gestalte, maar was hij ook uitgerust met een paar lange uitstekende oren. In de wandeling werd deze koning dan ook oneerbiedig koning Ezelsoor genoemd.
Hij had zich een vrouw gezocht, die geboortig was uit een stam reuzen die vanuit Albion naar Friesland waren gekomen. Hoe de vrouw heette is in de oude verhalen steeds onbelangrijk. De vrouw was immers volledig horig aan de man en van haar lotgevallen horen wij in de geschiedenissen zelden iets. Het enige wat we van de gade van koning Ezelsoor horen is dat zij een dochter kreeg, die later koningin van Friesland werd. Maar behalve de dochter kreeg het reusachtige koninklijke echtpaar ook nog een jongen, die, eenmaal volwassen, Heer Valk ging heten.
Het verhaal zelf, een sage of zoals de kroniekschrijver het noemt een fabel, is eigenlijk maar kort en maakt melding van het feit dat de koninklijke zoon Heer Valk, ogen had gelijk een valk, zo rond en klaar. En u voelt natuurlijk al waar ik heen wil. Juist. Hij werd de stichter van een niet onaanzienlijk slot dat naar hem Valkenburg werd genoemd en in de nabijheid van Leiden was gelegen.
Maar wat nu met koning Ezelsoor, alias Arundel, alias Richard Ezelsoor? Hij kon voor zijn illustere zoon niet onder blijven en stichtte -je hebt nu eenmaal baas boven baas- in Noordwijk en in Voorburg een kasteel.
Dat in Voorburg zou hij Arundelberg hebben genoemd.
Dat van Voorburg moet gelegen hebben op de plek waar we nu de door de Leidse professoren Holwerda en Reuvens aangetroffen Romeinse resten vinden in Park Arentsburgh.
Erg veel valt er niet te vertellen over de lotgevallen van deze koning Ezelsoor of Arundel, want in feite is het een verhaal zonder begin en zonder einde en zeker geen moraal. Onze verre voorvaderen waren lang niet zo poëtisch van aard als onze meer zuidelijk voorvaderen. Alhoewel, als u het hierna volgende verhaal leest, gaat u er wellicht anders over denken.
Maar let wel, dit verhaal is opgetekend in om precies te zijn 1663 en tussen de datum van handeling en de datum waarop het 'Goudtsche Kronycxken' verscheen liggen zo'n slordige twaalf lange eeuwen.Maar oordeelt u zelf:
"Na de gheboorte ons Heeren Jesu Christi CCCC ende *xvj jaer/ soo staecken hem te samen die Vriesen met haren Coninck Engistus/ ende Hortus sijnen broeder/ ende met die wilde wreede Slaven/ ende toghen over in Enghelant/ ende dreven daer uyt die Engelsche Brutoens/ ende beheerden dat Lant selve/ ende setten daer Coningen in naer selfs goetduncken. Daer nae keerden sommighe weder/ maer veel bleven daer. Ende van desen Coninck Engistus gheslacht soo wort gheboren Sinte Willibrort/ Sinte Jeroen/ ende Sinte Aelbrecht die tot Egmont leyt. Daer na doe die Vriesen metten Slaven weder uyt Engelant quamen/ ende niet en wisten wat sy doen souden/ doe toghen sy met malcander in dat wilde Wout sonder ghenaden/ ende dreven daer uyt die wilde beesten/ ende maeckeden eenen Burch daer nu Leyden staet/ en setteden daer een Casteleyn op met veel volcx/ om dat Wout te bewaren. Ende van desen Casteleyn soo quamen vele kinders/ ende eenen Soon die Lem hiet/ ende was al te vromen man/ soo dat de Wilten hem coren tot eenen Heer van Wiltenburch. Dese Heer Lem die wan een Soon die Dibbout hiet. Dese Dibbout wort daer na Conick van Vrieslant/ ende hadde een Wijff die een Reusinne was/ daer hy veel kinderen aen wan/ ende oock eenen Soon die Lem hiet. Dese Lem wort Ridder/ ende stichtede die Stede van Haerlem/ ende hietse naer hem selven Heer Lems-Stat. En van desen Heer Lem so wort geboren die machtige Coninck Eseloor. Dese Coninck Eseloor was dus gheheten omdat sijn Ooren so lanck waren oft een Ezel hadde gheweest: oock soo was hy seer groot/ ende hadde een Wijf die oock een Reusinne was/ daer hy veel kinderen aen wan/ ende een dochter die daer na Coninginne van Vrieslant was. Dese Coninck Eseloor was Coninck van den Slaven/ dat nu Hollanders sijn. Dese Conick Eseloor dede maecken by Voorburch een al te grooten Casteel/ soo datmen sijns ghelijcke niet en wiste van grootheyt/ noch van hoocheyt. Dese Coninck Eseloor die leefde seer langhe/ ende van hem quam een Bastaert die Valck hiet: dese was dus gheheeten/ om dat sijn ooghen soo ront ende soo claer warenoft een Valck hadde gheweest. Dese Valck stichte een groot Casteel aen die Noort-zijde vanden bosch/ ende dedet hieten Valckenburch. In deser maniere soo wort dat Lant van Hollant eerst bewoont. Maer dit volck was noch al Heyden noch meer dan anderhalf hondert jaer daer na/ tot dat Sinte Willibrort quam uyt Enghelant met veel goeder Priesteren/ ende bekeerde dat Lant van Hollant totten heylighen Kersten ghelove."
Tot zover een verhaal ooit opgetekend uit "Het Oude Goudtsche Kronycxken, of Historie van Hollandt, Zelandt, Vrieslandt, en Uytreght" uitgegeven 'met Privilegie t'Amsterdam Anno 1663 en opgetekend door ene Petrus Scriverius.
Toch heeft dit verhaal eeuwenlang geleerden bezig gehouden, en dat niet zozeer vanwege de inhoud, die er nauwelijks is (en waarbij de schrijver zelf de nodige vraagtekens zet), maar meer vanwege de vraag wie er toch met Arundel bedoeld zou zijn.
De ook bij ons niet geheel onbekende Johannes de Beka, een kroniekschrijver uit de 14e eeuw hield het er op dat de Noormannen en Denen de zeer sterke burcht van koning Aurindubius zouden hebben verwoest. Een latere bewerking van Johannes de Beka's uitgave heeft het dan weer over de burcht van een zekere Aurindulius.
Weer een andere kroniekschrijver maakt melding van de vesting van Aurelianus, die in de volksmond Aurundulius werd genoemd. Andere zeer geleerde heren houden het echter op Elinus.
Feit is dat er ooit in het Voorburgse munten zijn gevonden met de beeltenis van keizer Aurelianus.
Als het eerste gedeelte van de naam is afgesleten zou gemakkelijk Elinus of Elianus gelezen kunnen zijn. Als men dan met een beetje kennis van het Latijn weet dat auris, oor betekent en de oude Romeinen nogal eens hun keizers met een lauwerkrans plachten af te beelden of met een gevleugelde helm, dan lijkt het allemaal wel erg voor de hand liggend waarom de eenvoudige boeren, die met het ploegen regelmatig oude Romeinse munten tegen kwamen, dit uitlegden als munten met de beeltenis van koning Ezelsoor. Als daarbij dan nog bedacht wordt dat de Romeinse resten ook iets te zien gaven van ruïnes met twee uitstekende delen, dan is er niet zo veel fantasie voor nodig om te bedenken dat eenvoudige boeren stellig dachten met het voormalige rijk van koning Ezelsoor te maken te hebben.
Persoonlijk kan ik de verwarring dan nog groter maken. Ook op de befaamde Elsberg (op de plek waar nu de Elsbergstraat in Voorburg ligt) en waar tijdens de Middeleeuwen de grote jaarlijkse processie vanuit de Oude Kerk naar toe trok, zijn Romeinse munten gevonden.
Is de stelling dat deze Elsberg niets van doen heeft met een met elzen beplante heuvel, maar met Elinus' berg of Aurelianusberg dan zo erg onwaarschijnlijk? Voorlopig houden we het echter maar op een heuvel met elzen en misschien komen er nog wel eens geleerde heren of dames die het raadsel rond koning Ezelsoor echt oplossen..
Bernard Dijkman, oud-archief

